De therapeutische exceptie

Voorafgaande nota. Deze tekst heeft betrekking op de therapeutische exceptie zoals vastgelegd in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, die sinds 1 september 2016 van toepassing is op klinisch psychologen. Deze analyse heeft enkel als doel aan deze laatsten kwalitatief hoogstaande informatie te verschaffen over de huidige rechtsregels die van kracht zijn. Ook moet worden opgemerkt dat de wetgever bij de wet van 30 oktober 2018 tot wijziging van de wet betreffende rechten van de patiënt de kwestie van de therapeutische exceptie opnieuw aan de orde heeft gesteld, maar niet van mening was dat hij de regels op dit gebied moest aanpassen.

Casus

Na een ernstig auto ongeluk lijdt een patiënt sinds enkele jaren aan een aandachtstoornis en een zware depressie. Hij doet revalidatiesessies met een klinisch neuropsycholoog. Tegelijkertijd krijgt hij een medische behandeling, voorgeschreven door een psychiater die nauw samenwerkt met de klinische neuropsycholoog.

Na het overlijden van een dierbare gaat de psychische toestand van de patiënt sterk achteruit. De patiënt toont zelfs meerdere keren en in verschillende contexten de wil om een einde te maken aan zijn leven. Dit wordt zeer ernstig genomen door zijn hulpverleners. De klinisch neuropsycholoog vreest zelfs dat er een zelfmoordpoging zal worden ondernomen, vooral wanneer de patiënt geconfronteerd wordt met nieuws dat zijn huidige leefomgeving kan verstoren of zijn toekomstperspectieven verder kan beperken.

Gezien de recente gebeurtenissen die de patiënt op persoonlijk vlak heeft meegemaakt en zijn grote psychologische kwetsbaarheid, wil de klinisch neuropsycholoog hem - tijdelijk - niet informeren over de resultaten van de laatste cognitieve test. Vanwege de slechte vooruitzichten op een aanzienlijke verbetering van het functioneren van de patiënt in het dagelijkse leven en het psychologische welzijn op middellange of zelfs lange termijn, is de klinisch neuropsycholoog ervan overtuigd dat deze gegevens hem zouden kunnen aanzetten tot een zelfmoordpoging.

De wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt erkent uitdrukkelijk het recht van de patiënt om geïnformeerd te worden over zijn of haar gezondheidstoestand – en over de vermoedelijke evolutie ervan (art. 7). De wet voorziet evenwel twee uitzonderingen op dit principe. Het gaat over het recht « om niet te weten »[1] (art. 7, § 3) en de « therapeutische exceptie » (art. 7, § 4). Deze laatste uitzondering laat de klinisch psycholoog toe geen informatie aan de patiënt door te geven wanneer dit hem schade kan berokkenen. In dat geval voorziet de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt ook in bijzondere regels voor het raadplegen en kopiëren van het patiëntendossier (art. 9, § 2, al. 5).

Deze tekst behandelt de volgende vragen:

Twee zaken moeten verduidelijkt worden alvorens in te gaan op deze vragen.

De therapeutische exceptie is een uitzondering op het recht op informatie, maar niet op het recht op vrije en geïnformeerde toestemming voor elke interventie die de patiënt aanbelangt. U kunt dus geen beroep doen op de therapeutische exceptie om actie te ondernemen met betrekking tot uw patiënt, zonder hem hiervan eerst op de hoogte te stellen.

Bovendien, indien u geconfronteerd wordt met een situatie waarin u zich niet op de therapeutische exceptie kunt beroepen, belet niets u om andere wettelijke en ethische regels te hanteren zodat u bepaalde gevoelige informatie niet aan uw patiënt hoeft mee te delen. U kunt bijvoorbeeld beroep doen op het principe van de noodtoestand - mits u uiteraard aan de voorwaarden hiervan voldoet.

Welke informatie valt onder de therapeutische exceptie?

Zoals de wet betreffende de rechten van de patiënt aangeeft, mag u de therapeutische exceptie enkel inroepen voor informatie waarvan de « informatie klaarblijkelijk ernstig nadeel voor de gezondheid van de patiënt of derden oplevert » (art. 7, § 4, al. 1).

Bovendien moet de informatie aan drie cumulatieve voorwaarden voldoen om onder de therapeutische exceptie te kunnen vallen:

1° - U kunt enkel beroep doen op de therapeutische exceptie indien het risico van het meedelen van informatie betrekking heeft op de gezondheid van de patiënt - niet die van een derde partij.

Het begrip « gezondheid » wordt hier op een zeer algemene manier opgevat. Het beperkt zich niet tot lichamelijk welzijn, maar is ook gericht op psychologisch en sociaal welzijn[2].

2° - De wet betreffende de rechten van de patiënt vereist dat het risico voor de patiënt «klaarblijkelijk » is. Helaas wordt deze term niet verder gedefinieerd en wordt ook in de voorbereidende werken hierover verder niets vermeld. Het is echter duidelijk dat u zich niet op de therapeutische exceptie kunt beroepen indien dit risico slechts gering is.

3° - De schade ten aanzien van de patiënt in kwestie moet « ernstig » zijn. De wet betreffende de rechten van de patiënt verduidelijkt niet wat moet worden verstaan onder “ernstig”. Ook de voorbereidende werken zijn op dit vlak niet verhelderend.

Bij de beoordeling of aan deze laatste twee voorwaarden is voldaan, mag men niet vergeten dat de therapeutische exceptie een uitzonderlijk karakter heeft. Vandaar dat de wetgever deze laatste twee voorwaarden uitdrukkelijk in de wettekst heeft opgenomen (art. 7, § 4, lid 1). Het principe is en blijft de informatie aan de patiënt.

Waarmee moet u rekening houden om gebruik te kunnen maken van de therapeutische exceptie?

Enkel het risico om « klaarblijkelijk ernstige schade toe te brengen aan de gezondheid van de patiënt » voldoet niet om de therapeutische exceptie in te roepen. Naast de vaststellingen die u doet, moet u ook een aantal initiatieven nemen.

1° - Indien u overweegt de therapeutische exceptie in te roepen voor het niet-meedelen van bepaalde informatie, moet u « vooraf een andere beroepsbeoefenaar raadplegen » in overeenstemming met het beroepsgeheim en in de zin van de Gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (art. 7, § 4, al. 1).

Deze beroepsbeoefenaar kan een klinisch psycholoog zijn. Dit hoeft evenwel niet. U kunt bijvoorbeeld ook contact opnemen met een huisarts of psychiater. Het is echter ten zeerste aanbevolen dat u een beroepsuitoefenaar raadpleegt die over de nodige opleiding en ervaring beschikt om de situatie waarmee u geconfronteerd wordt volledig te begrijpen. U bent niet verplicht om de mening van deze beroepsbeoefenaar te volgen, wel om hem te raadplegen. Zijn of haar standpunt voedt zich in uw denken en helpt u te bepalen of u zich al dan niet in de situatie bevindt die de wet viseert. Deze raadpleging kan, waar nodig, plaatsvinden in het kader van opvolging of toezicht, onder naleving van het beroepsgeheim.

Bij de keuze van een beroepsbeoefenaar vermijdt u iemand te raadplegen die uw patiënt ook behandelt en die geen of weinig kennis heeft van de elementen waarop de therapeutische uitzondering betrekking heeft, Het is belangrijk om het privéleven van de patiënt te beschermen en niet tussen te komen in de behandeling van de patiënt door andere beroepsbeoefenaars.

2° - Wanneer u van mening bent dat u de therapeutische exceptie moet inroepen, moet u dit bovendien schriftelijk in het dossier van de patiënt vermelden. U motiveert hierbij grondig uw beslissing (art. 7, § 4, al. 2). U vermeldt met andere woorden alle elementen, met inbegrip van de raadpleging van een andere beroepsbeoefenaar, die uw keuze kunnen rechtvaardigen.

Ten slotte, als de patiënt een vertrouwenspersoon heeft aangesteld, vereist de wet op de rechten van de patiënt dat u hem/haar hiervan op de hoogte brengt (art. 7, § 3, al. 2). Deze regel is ook van toepassing als de vertrouwenspersoon geen beroepsbeoefenaar is. Het informeren van de vertrouwenspersoon is ook een opportuniteit voor u om de situatie van de patiënt beter te begrijpen en, indien nodig, uw hulpverlening daarop af te stemmen.

Het is belangrijk om deze drie verschillende initiatieven te nemen op het moment dat de risicosituatie zich voordoet en niet later. U kunt deze initiatieven bijvoorbeeld beter niet nemen wanneer de patiënt heeft aangegeven dat hij of zij van plan is om het recht op informatie of het recht op toegang tot of kopiëren van zijn of haar dossier uit te oefenen.

Binnen welke grenzen kunt u zich beroepen op de therapeutische exceptie?

Vooreerst moet worden benadrukt dat de therapeutische exceptie tijdelijk en persoonlijk van aard is. Dit wordt gerechtvaardigd door het feit dat de patiënt specifieke risico’s loopt bij het delen van bepaalde informatie. Zodra er dus geen klaarblijkelijk risico meer bestaat op ernstige schade aan de gezondheid, moet u deze informatie wel aan de patiënt meedelen (art. 7, § 4, al. 3).

Bovendien kunt u enkel een beroep doen op de therapeutische exceptie voor de patiënt zelf die een risico loopt. U kunt de therapeutische exceptie dus niet aanwenden om andere personen die recht hebben op informatie, zoals bijvoorbeeld de ouders van een niet-wilsbekwame minderjarige, niet te informeren.

Wat zijn de gevolgen van de therapeutische exceptie wanneer de patiënt toegang wil krijgen tot zijn dossier?

De wet betreffende de rechten van de patiënt erkent het recht van de patiënt om het hem betreffende dossier te raadplegen (art. 9, § 2) en een afschrift ervan te verkrijgen (art. 9, § 3).

De raadpleging van het patiëntendossier gebeurt rechtstreeks of onrechtstreeks. De raadpleging gebeurt rechtstreeks wanneer de patiënt het dossier zelf raadpleegt, eventueel met de hulp van een door hem/haar aangewezen vertrouwenspersoon. De raadpleging gebeurt onrechtstreeks wanneer het recht op raadpleging wordt uitgeoefend via een door de patiënt zelf aangewezen vertrouwenspersoon. De patiënt zelf neemt rechtstreeks geen kennis van het dossier.

De wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt onderwerpt bepaalde categorieën van gegevens aan bijzondere toegangsregels, namelijk gegevens die betrekking hebben op derden of die onder het toepassingsgebied van de therapeutische exceptie vallen. In het eerste geval sluit de wet eenvoudigweg hun raadpleging uit (art. 9, § 2, al. 3). In het tweede geval, namelijk de gegevens die onder de therapeutische exceptie vallen, heeft u indirect toegang tot deze gegevens, via een vertrouwenspersoon die een beroepsbeoefenaar is in de zin van de Gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (art. 9, § 2, al. 5). Deze persoon hoeft geen psycholoog te zijn, dit kan ook bijvoorbeeld de behandelende arts of psychiater zijn. Deze keuze wordt overgelaten aan de patiënt. U kan uw patiënt echter wel wijzen op het belang beroep te doen op een professional die over de nodige opleiding en ervaring beschikt om het dossier goed te begrijpen en om desgevallend op een geschikte manier informatie met hem of haar te delen.

Volgens de wet kunt u zich in principe alleen op de therapeutische exceptie beroepen om u te verzetten tegen de rechtstreekse toegang tot het dossier als in het dossier een motivering hiervoor is terug te vinden - wat ook inhoudt dat u in het verleden een andere beroepsbeoefenaar hebt geraadpleegd over dit onderwerp. In dit verband kunnen we alleen maar herhalen dat het noodzakelijk is om voor elk van uw patiënten een zorgvuldig dossier bij te houden.

De regels voor het raadplegen van het patiëntendossier zijn ook van toepassing op het verkrijgen van een kopie van het dossier (art. 9, § 3, al. 1). Bovendien vereist de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt dat « op elke kopie » wordt vermeld dat het « strikt persoonlijk en vertrouwelijk » is (art. 9, § 3, al. 1). De wet bepaalt ook dat de beroepsbeoefenaar een afschrift mag weigeren « indien hij over duidelijke aanwijzingen beschikt dat de patiënt onder druk wordt gezet om een afschrift van zijn dossier aan derden mee te delen » (art. 9, § 3, al. 2).

Zijn de regels van de therapeutische exceptie in overeenstemming met de GDPR?

De regels met betrekking tot de therapeutische exceptie, ook deze die voorzien in raadpleging of afschrift van het dossier van de patiënt door een door de patiënt aangewezen beroepsbeoefenaar, zijn in overeenstemming met de algemene voorschriften inzake gegevensbescherming (hierna « GDPR »[3]).

Hoewel het beginsel in de GDPR de rechtstreekse toegang is tot persoonsgegevens door de betrokkene bij de verwerking van de gegevens[4] (art. 15), erkent de GDPR ook de mogelijkheid voor de lidstaten om beperkingen op te leggen aan de rechten en plichten die in dit Europese instrument zijn vastgelegd (art. 23). Het Federaal Parlement heeft hiervan gebruik gemaakt door de wet van 30 oktober 2018 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid aan te nemen (art. 69), tot wijziging van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. Hierdoor wordt uitdrukkelijk bepaald dat de regels inzake de therapeutische uitzondering in overeenstemming zijn met de regels inzake de GDPR (meer bepaald met artikel 23 GDPR).

Referenties

[1] Door gebruik te maken van het recht « om niet te weten » erkend door de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, weigert men bepaalde informatie over zichzelf te ontvangen. Dit recht vormt een afwijking zowel op het recht van de patiënt om geïnformeerd te worden over zijn gezondheidstoestand en de vermoedelijke evolutie hiervan (art. 7) als op het recht vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar die hem of haar aanbelangt (art. 8). Dit recht « om niet te weten » is onderworpen aan een belangrijke beperking waarin de wet van 22 augustus 2002 voorziet, namelijk ingeval het niet meedelen van de informatie een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor de gezondheid van de patiënt of derden zou opleveren (art. 7, § 3, al. 1 ; art. 8, § 3) – onder voorbehoud van een aantal voorwaarden: voorafgaand overleg met een andere beroepsbeoefenaar, het horen van de vertrouwenspersoon, en het opnemen of toevoegen van het verzoek van de patiënt aan het patiëntendossier. Dit wordt vaak voorgesteld als een andere variant op de therapeutische exceptie.

[2] Hausman, J.-M., & Schamps, G. (reds.). 2016. Aspects juridiques et déontologiques de l’activité de psychologue clinicien. Brussel: Bruylant, p. 102.

[3] De exacte titel luidt als volgt: Verordening (UE) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).

[4] zie art. 15


 
Deel deze pagina