De inbeslagname van dossiers

U krijgt bericht van een onderzoeksrechter die u laat weten dat hij één van uw dossiers in beslag komt nemen. Wat nu?

Wanneer u of uw cliënt betrokken is in een misdrijf kan de onderzoeksrechter (of de Procureur des Konings bij betrapping op heterdaad[1]) uw dossiers in beslag nemen in het kader van[2]:

  • een huiszoeking van uw Kabinet,
  • een gerichte inbeslagname van een specifiek dossier.

Hoewel u een inbeslagname niet kunt voorkomen of weigeren, zijn er wel aantal regels van toepassing. Zo is niet eender welk document vatbaar voor een inbeslagname en hebt u steeds het recht om verzet aan te tekenen indien u oordeelt dat een document onder uw beroepsgeheim valt. In wat volgt geven we hierover meer uitleg.

Vooraleer we verder gaan: vergeet niet dat u aan de Psychologencommissie persoonlijke ondersteuning kunt vragen wanneer u te maken krijgt met een inbeslagname. Voor meer informatie hierover verwijzen we naar punt 9.

Inhoud

  1. Wanneer krijgt u te maken met een huiszoeking of inbeslagname?
  2. Wie doet de huiszoeking of inbeslagname?
  3. Wat is vatbaar voor inbeslagname en wanneer tekent u best verzet aan?
  4. Hoe tekent u verzet aan tegen de inbeslagname van een stuk?
  5. De onderzoeksrechter heeft het laatste woord
  6. Wat indien u uw dossiers elektronisch bijhoudt?
  7. Neem een kopie van het dossier dat in beslag wordt genomen
  8. Hoe krijgt u uw dossier terug?
  9. Aanwezigheid van de Psychologencommissie tijdens de inbeslagname
  10. Referenties

 

1. Wanneer krijgt u te maken met een huiszoeking of inbeslagname?

Een inbeslagname gebeurt in het kader van een gerechtelijke onderzoek[3]. De onderzoeksrechter (of de Procureur des Konings bij betrapping op heterdaad[4]) heeft dan zware vermoedens[5] dat hij in uw kabinet en/of in een dossier overtuiggingsstukken of bewijselementen zal vinden die hem kunnen helpen om de waarheid te achterhalen.

  • Overtuigingsstuk = stuk waarmee het misdrijf is gepleegd (vb. het moordwapen), wat uit het misdrijf voorkomt (vb.  een gestolen goed) of wat het voorwerp is van een misdrijf (vb. vervalste papieren).
  • Bewijselement = andere stukken die kunnen helpen om aan te tonen of iemand schuldig dan wel onschuldig is.

↑ Terug

2. Wie doet de huiszoeking of inbeslagname?

De huiszoeking of inbeslagname gebeurt in principe door de onderzoeksrechter, hoewel deze laatste hiervoor ook officieren van de gerechtelijke politie kan mandateren[6]. Deze laatsten moeten dan wel beschikken over een officieel huiszoekingsbevel[7]. Zij zullen het patiëntendossier ook steeds verzegelen vooraleer ze het meenemen.

Bij de aanvang brengen de onderzoekers u op de hoogte van de aanleiding van het onderzoek. Zij vermelden daarbij wie precies in verdenking wordt gesteld[8]. U mag weten waarom de huiszoeking of de gerichte inbeslagname plaatsvindt[9].

↑ Terug

3. Wat is vatbaar voor inbeslagname en wanneer tekent u best verzet aan?

De inbeslagname van documenten moet zich steeds beperken tot dossiers en stukken die relevant zijn voor het onderzoek en het bewijzen van (on)schuld[10]. Er mag geen sprake zijn van een ‘fishing expedition’ om bijkomende of andere misdrijven aan het licht te brengen[11]. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de onderzoeksrechter of de officieren van de gerechtelijke politie andere dossiers meenemen om te kijken of zij daarin ‘nieuwe’ misdrijven en overtredingen kunnen terugvinden.

Wanneer de inbeslagname dreigt te gebeuren van stukken die geen verband houden met het misdrijf moet u in elk geval verzet aantekenen tegen de inbeslagname hiervan (zie punt 4 voor meer uitleg over hoe u dit moet doen). Weet wel dat dit verzet niet kan verhinderen dat de stukken effectief worden meegenomen[12]. Het is aan de onderzoeksrechter om te beslissen of hij u hierin volgt en de stukken al dan niet meeneemt in het verdere verloop van de procedure.

Uw cliënt wordt verdacht van een misdrijf

Wanneer uw cliënt de verdachte is, mogen in principe geen bewijselementen in beslag worden genomen die voortvloeien uit de vertrouwensrelatie met uw cliënt of verband houden met de verstrekte hulpverlening (bijv. verslagen, persoonlijke notities,…)[13]. Het beroepsgeheim dient immers niet alleen het individueel belang van de cliënt, maar ook de toegankelijkheid van het beroep in het algemeen. Indien cliënten zich niet in vertrouwen tot een hulpverlener kunnen richten, bestaat de kans dat sommigen de hulpverlening gewoon niet meer opzoeken. Wanneer de inbeslagname van deze stukken dreigt, is het daarom belangrijk dat u zich verzet tegen de inbeslagname op grond van uw beroepsgeheim en dit verzet ook laat optekenen in het proces-verbaal (zie punt 4 voor meer uitleg over hoe u dit moet doen).

Heeft de cliënt echter een overtuigginsstuk bij u in bewaring gegeven? Dan is dit stuk wel vatbaar voor beslag. Het behoort immers niet tot de normale uitoefening van het beroep om dergelijke voorwerpen bij te houden[14]. Indien uw cliënt u ooit vraagt om een dergelijk voorwerp bij te houden, gaat u dan ook best niet in op dit verzoek.

Uw cliënt is slachtoffer van een misdrijf

Wanneer uw cliënt slachtoffer is van een misdrijf kan het minder problematisch zijn dat stukken in beslag worden genomen die hun bestaansreden vinden in de vertrouwensrelatie en over de verstrekte hulpverlening gaan. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de inbeslagname van deze stukken de belangen van uw cliënt helpt beschermen of indien de stukken zouden kunnen bijdragen tot de vervolging van de dader[15]. Tegen de inbeslagname van stukken die niet onder deze categorie vallen tekent u in elk geval best verzet aan. Ook indien u meent dat de vertrouwensrelatie met uw cliënt door de inbeslagname in het gedrang komt, behoudt u het recht om verzet aan te tekenen. Deze beoordeling maakt u in functie van de specifiek situatie.

U wordt zelf verdacht van een misdrijf

Wanneer u in een gerechtelijk onderzoek zelf verdacht wordt van een misdrijf geldt het principe ‘beroepsmisdrijf sluit beroepsgeheim uit’[16]. Dit betekent dat alle stukken die verband houden met de feiten in beslag kunnen worden genomen, bijvoorbeeld overtuigginsstukken, bewijselementen, briefwisseling met collega’s of met de cliënt, persoonlijke notities,…[17] Of de stukken geënt zijn op uw vertrouwensrelatie met de cliënt maakt dus niet uit, ze vallen niet meer onder uw beroepsgeheim[18]. U heeft ook niet de mogelijkheid om verzet aan te tekenen tegen de inbeslagname. Volgens het Hof van Cassatie verliezen de stukken door de omstandigheden hun vertrouwelijk karakter[19]. Ook uw persoonlijke notities zijn bovendien vatbaar voor de inbeslagname.

Ook hier mag echter geen sprake zijn van een ‘fishing expedition’ om eventuele bijkomende of andere misdrijven aan het licht te brengen.

↑ Terug

4. Hoe tekent u verzet aan tegen de inbeslagname van een stuk?

Dit doet u door expliciet tegen de officier van de gerechtelijke politie of onderzoeksrechter te zeggen dat u niet akkoord gaat met de inbeslagname omdat het stuk onder uw beroepsgeheim valt. Indien de onderzoeksrechter zelf aanwezig is, kan hij daarmee onmiddellijk akkoord gaan en besluiten om het stuk niet mee te nemen[20].

Indien:

  • De onderzoeksrechter het stuk toch meeneemt,
  • De onderzoeksrechter niet persoonlijk aanwezig is en de huiszoeking wordt uitgevoerd door een officier van de gerechtelijke politie,

dan vraagt u om uw verzet te noteren op het proces-verbaal dat wordt opgesteld op het moment van de inbeslagname. Op het einde van de inbeslagname zal u gevraagd worden om het proces-verbaal te ondertekenen. Kijk dan even na of uw verzet duidelijk is gedocumenteerd.

↑ Terug

5. De onderzoeksrechter heeft het laatste woord

U kunt steeds verzet aantekenen tegen de inbeslagname van een stuk maar u kunt dit stuk niet achterhouden[21]. Alleen de onderzoeksrechter kan uiteindelijk beslissen of een element gedekt is door het beroepsgeheim en of het daarentegen kan dienen als bewijsmateriaal. Hij is immers de enige persoon die een volledig overzicht heeft van het onderzoek en dus met kennis van zaken kan oordelen of een stuk belangrijk is voor de waarheidsvinding[22].

In principe kunnen de inbeslaggenomen stukken later wel nog gecontroleerd worden door een onderzoeks- en/of vonnisgerecht[23]. Wanneer deze zouden beoordelen dat een stuk ten onrechte in beslag werd genomen, dan wordt dit stuk beschouwd als onrechtmatig verkregen bewijs. Het stuk kan dan nog steeds worden geweerd uit het onderzoek.[24]

↑ Terug

6. Wat indien u uw dossiers elektronisch bijhoudt?

Houdt u uw dossier bij op een geïnformatiseerde drager, zoals een computer, harde schijf of USB-stick? Dan kunnen deze toestellen in principe in beslag worden genomen. De onderzoeksrechter of de gemandateerde officieren van de gerechtelijke politie kunnen echter ook vragen om een kopie af te drukken van de relevante dossiers of gegevens[25]. Een kopie draagt uiteraard de voorkeur, gezien u op die manier uw geïnformatiseerd werkinstrument niet verliest en u uw professionele activiteiten vlot kunt verderzetten[26].

Dreigt de inbeslagname van uw geïnformatiseerde drager? Dan kunt u zelf voorstellen om een kopie te maken van de gevraagde gegevens. Indien de onderzoeksrechter of officieren van de gerechtelijke politie echter niet op dit voorstel ingaan, kunt u niet weigeren om de drager mee te geven. U kunt uw verzet hiertegen wel nog laten optekenen in het proces-verbaal van de inbeslagname.

↑ Terug

7. Neem een kopie van het dossier dat in beslag wordt genomen

Wanneer de inbeslagname van één van uw dossiers dreigt, is het best om op voorhand even een kopie te nemen zodat u de continuïteit van uw diensten kunt verzekeren[27]. U krijgt uw dossiers immers pas terug wanneer het volledige onderzoek is afgelopen, wat toch enkele maanden kan duren.

↑ Terug

8. Hoe krijgt u een dossier terug?

Dit kan op verschillende manieren:

  • door het formeel te vragen aan de onderzoeksrechter of de Procureur des Konings.
  • door het informeel te vragen aan de betrokken politieofficier (die dan de toestemming zal vragen aan de onderzoeksrechter of de Procureur des Konings).

Het is ook mogelijk dat de onderzoeksrechter of de Procureur des Konings op eigen initiatief beslist om u het dossier terug te geven (bijvoorbeeld bij de afronding van het onderzoek).

↑ Terug

9. Aanwezigheid van de Psychologencommissie tijdens de inbeslagname

Naar analogie met de procedure voor de inbeslagname van medische dossiers[28]  en dossiers van advocaten[29], organiseert de Psychologencommissie bijstand voor psychologen die met een inbeslagname geconfronteerd worden. De Psychologencommissie vaardigt in dat geval een vertegenwoordiger af. Op het moment van de inbeslagname zal deze persoon, voor de onderzoeksrechter het dossier bekijkt of de afgevaardigde van de politie het dossier meeneemt, het dossier overlopen en controleren of er stukken zijn die onder het beroepsgeheim vallen. Indien hij dit noodzakelijk vindt, zal ook hij verzet aantekenen tegen de inbeslagname.  De afgevaardigde waakt dus mee over uw beroepsgeheim.

De onderzoeksrechter moet met deze aanwezigheid akkoord gaan gezien dit geen wettelijke verplichting is. Ook voor de artsen en advocaten is dit trouwens het geval. Het komt echter steeds vaker voor dat de onderzoeksrechter zelf om de aanwezigheid van een afgevaardigde van de Psychologencommissie verzoekt. Indien de onderzoeksrechter er niet om vraagt, kunt u deze aanwezigheid uiteraard ook zelf voorstellen. Doorgaans is daar geen bezwaar tegen.

Krijgt u te maken met een inbeslagname en wenst u ondersteuning? Dan kunt u contact met ons opnemen via info@compsy.be.

↑ Terug



10. Referenties

[1] Kennes, L. (2009). Manuel de la preuve en matière pénale. Mechelen: Kluwer, p. 249.

[2] De gerichte inbeslagname van een specifiek dossier ligt in het verlengde van de huiszoeking3: op beiden zijn dezelfde regels van toepassing. Zie Gevaert, P., & Wostyn, L. (2009). Inbeslagname medische dossiers en verhoor door de onderzoeksrechter. In Wostyn, L., Boucquey, K., & Schockaert, F. (eds.). Overhandigen medische gegevens. Gent: Story-Scientia, Academia Press, p. 22; Lambert, P. (1985). Le secret professionnel. Bruxelles : Nemesis, p. 174.

[3] Gevaert, P., & Wostyn, L. (2009). Inbeslagname medische dossiers en verhoor door de onderzoeksrechter. In Wostyn, L., Boucquey, K., & Schockaert, F. (eds.). Overhandigen medische gegevens. Gent: Story-Scientia, Academia Press, p. 20.

[4] Kennes, L. (2009). Manuel de la preuve en matière pénale. Mechelen: Kluwer, p. 249.

[5] Dierickx, A., Buelens, J., & Vijverman, A. (2014). Hoofdstuk VII - Het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het medisch beroepsgeheim en de verwerking van persoonsgegevens. In Vansweevelt, T., & Dewallens, F., (eds.). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia, p. 695; Van Der Straete, I., & Put, J. (2005). Beroepsgeheim en hulpverlening. Brugge: Die Keure, p. 128; Beernaert, M.-A., Bosly, H.D., & Vandermeersch, D. (2014). Droit de la procédure pénale, Tome I (7e ed.). Brugge : La Charte, p. 673.

[6] Van Der Straete, I., & Put, J. (2005). Beroepsgeheim en hulpverlening. Brugge: Die Keure, p. 127; Beernaert, M.-A., Bosly, H.D., & Vandermeersch, D. (2014). Droit de la procédure pénale, Tome I (7e ed.). Brugge : La Charte, p. 674-675.

[7]Gevaert, P., & Wostyn, L. (2009). Inbeslagname medische dossiers en verhoor door de onderzoeksrechter. In Wostyn, L., Boucquey, K., & Schockaert, F. (eds.). Overhandigen medische gegevens. Gent: Story-Scientia, Academia Press, p.  25.

[8] Gevaert, P., & Wostyn, L. (2009). Inbeslagname medische dossiers en verhoor door de onderzoeksrechter. In Wostyn, L., Boucquey, K., & Schockaert, F. (eds.). Overhandigen medische gegevens. Gent: Story-Scientia, Academia Press, p. 23-24.

[9]Gevaert, P., & Wostyn, L. (2009). Inbeslagname medische dossiers en verhoor door de onderzoeksrechter. In Wostyn, L., Boucquey, K., & Schockaert, F. (eds.). Overhandigen medische gegevens. Gent: Story-Scientia, Academia Press, p. 23; Beernaert, M.-A., Bosly, H.D., & Vandermeersch, D. (2014). Droit de la procédure pénale, Tome I (7e ed.). Brugge : La Charte, p. 676.

[10] Voir la jurisprudence citée dans Blockx, F. (2013). Beroepsgeheim. Antwerpen: Intersentia, p. 362-363; Moreau, T., (2013).  Chapitre XXV - La violation du secret professionnel. In Bosly, H.D., & De Valkeneer, C., (eds.). Les infractions. Volume V. Les infractions contre l’ordre public. Bruxelles : Larcier, p. 719.

[11] Voir la jurisprudence citée dans Blockx, F. (2013). Beroepsgeheim. Antwerpen: Intersentia, p. 360; Lambert, P. (1985). Le secret professionnel. Bruxelles : Nemesis, p. 176.

[12] Blockx, F. (2013). Beroepsgeheim. Antwerpen: Intersentia, p. 361; Dhaeyer, P. & et Moinil, J. (2015). Le secret de l’enquête pénale. In Bouioukliev, I. (coörd.). Les secrets professionnels. Approche transversale. Limal : Anthemis, p. 72.

[13] Vansweevelt, T. (2014). Hoofdstuk VI - Rechten met betrekking tot het patiëntendossier. In Vansweevelt, T., & Dewallens, F., (eds.). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p.557; Beernaert, M.-A., Bosly, H.D., & Vandermeersch, D. (2014). Droit de la procédure pénale, Tome I (7e ed.). Brugge : La Charte, p. 399 ; Nouwynck, L. (2012). La position des différents intervenants psycho-médicaux-sociaux face au secret professionnel dans un contexte judiciaire – Cadre modifié, principe conforté. Revue de droit pénal et de criminologie, 2012 (6), p. 605.

[14] Van Der Straete, I., & Put, J. (2005). Beroepsgeheim en hulpverlening. Brugge: Die Keure, p. 128.

[15] Blockx, F. (2004). Het medisch beroepsgeheim en het opsporen van misdrijven (noot onder Kamer van Inbeschuldigingstelling Antwerpen van 6 maart 2003). Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2004(4), p. 309 - 315 Geraadpleegd via www.jurisquare.be.

[16] Gevaert, P., & Wostyn, L. (2009). Inbeslagname medische dossiers en verhoor door de onderzoeksrechter. In Wostyn, L., Boucquey, K., & Schockaert, F. (eds.). Overhandigen medische gegevens. Gent: Story-Scientia, Academia Press, p. 30; Van Der Straete, I., & Put, J. (2005). Beroepsgeheim en hulpverlening. Brugge: Die Keure, p. 129.

[17] Vansweevelt, T. (2014). Hoofdstuk VI - Rechten met betrekking tot het patiëntendossier. In Vansweevelt, T., & Dewallens, F., (eds.). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p.556; Moreau, T., (2013).  Chapitre XXV - La violation du secret professionnel. In Bosly, H.D., & De Valkeneer, C., (eds.). Les infractions. Volume V. Les infractions contre l’ordre public. Bruxelles : Larcier, p. 719.

[18] Gevaert, P., & Wostyn, L. (2009). Inbeslagname medische dossiers en verhoor door de onderzoeksrechter. In Wostyn, L., Boucquey, K., & Schockaert, F. (eds.). Overhandigen medische gegevens. Gent: Story-Scientia, Academia Press, p. 29.

[19] Gevaert, P., & Wostyn, L. (2009). Inbeslagname medische dossiers en verhoor door de onderzoeksrechter. In Wostyn, L., Boucquey, K., & Schockaert, F. (eds.). Overhandigen medische gegevens. Gent: Story-Scientia, Academia Press, p. 30.

[20] Dierickx, A., Buelens, J., & Vijverman, A. (2014). Hoofdstuk VII - Het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het medisch beroepsgeheim en de verwerking van persoonsgegevens. In Vansweevelt, T., & Dewallens, F., (eds.). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia, p. 695; Beernaert, M.-A., Bosly, H.D., & Vandermeersch, D. (2014). Droit de la procédure pénale, Tome I (7e ed.). Brugge : La Charte, p. 683.

[21] Blockx, F. (2013). Beroepsgeheim. Antwerpen: Intersentia, p. 361.

[22] Gevaert, P., & Wostyn, L. (2009). Inbeslagname medische dossiers en verhoor door de onderzoeksrechter. In Wostyn, L., Boucquey, K., & Schockaert, F. (eds.). Overhandigen medische gegevens. Gent: Story-Scientia, Academia Press, p. 24; Screvens, A., & Meeus, A. (1989). Les Novelles. Droit pénal. Tome IV. Les infractions. Bruxelles : Larcier, p. 257-258.

[23] Voir la jurisprudence citée dans Blockx, F. (2013). Beroepsgeheim. Antwerpen: Intersentia, p. 361; Beernaert, M.-A., Bosly, H.D., & Vandermeersch, D. (2014). Droit de la procédure pénale, Tome I (7e ed.). Brugge : La Charte, p. 685-686.

[24] Blockx, F. (2013). Beroepsgeheim. Antwerpen: Intersentia, p. 361; Dierickx, A., Buelens, J., & Vijverman, A. (2014). Hoofdstuk VII - Het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het medisch beroepsgeheim en de verwerking van persoonsgegevens. In Vansweevelt, T., & Dewallens, F., (eds.). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia, p. 701 ; Beernaert, M.-A., Bosly, H.D., & Vandermeersch, D. (2014). Droit de la procédure pénale, Tome I (7e ed.). Brugge : La Charte, p. 685 en p. 690-691.

[25] Forget, C. (2015). La collecte de preuves informatiques en matière pénale. In Henrotte, J.-F., & Jongen, F., (eds.). Pas de droit sans technologie. Bruxelles : Larcier, p. 252-253.

[26] Lugentz, F., & Vandermeersch, D. (2015). Saisie et confiscation en matière pénale. Bruxelles : Larcier, p. 137.

[27] Beauthier, J.-P. (2015). Secret médical et justice. In Bouioukliev, I. (coörd.). Les secrets professionnels. Approche transversale. Limal : Anthemis, p.  107.

[28] Zie advies van de Nationale Raad van de Orde der Artsen van 26 oktober 2013 betreffende de Wijziging van artikel 66. Geraadpleegd op www.ordomedic.be.

[29] Dhaeyer, P. & et Moinil, J. (2015). Le secret de l’enquête pénale. In Bouioukliev, I. (coörd.). Les secrets professionnels. Approche transversale. Limal : Anthemis, p. 69.

↑ Terug


 
Deel deze pagina