De aangifte van misdrijven waarvan de patiënt het slachtoffer is (rechtspraak van het Hof van Cassatie)

In verschillende rechtszaken met betrekking tot artsen oordeelde het Hof van Cassatie dat het beroepsgeheim zich niet uitstrekt tot misdrijven waarvan de patiënt slachtoffer is[1]. Voor een illustratie, zie het arrest van 18 juni 2010 van het Hof van Cassatie.

Het Hof van Cassatie is van mening dat een persoon die door het beroepsgeheim is gebonden deze feiten mag melden bij de bevoegde instanties, bijvoorbeeld bij het parket of de onderzoeksrechter[2]. Volgens het Hof tast de aangifte van deze feiten de vertrouwensrelatie tussen de beroepsbeoefenaar en zijn patiënt niet aan, maar kadert het integendeel binnen de doelstelling van het beroepsgeheim, namelijk de bescherming van de patiënt[3].

Ook al hebben de hierboven genoemde beslissingen van het Hof van Cassatie enkel betrekking op artsen, toch is deze rechtspraak in principe ook van toepassing op psychologen wanneer zij kennis nemen van misdrijven op hun patiënten. Het gaat immers over de manier waarop het Hof van Cassatie het beroepsgeheim interpreteert, onafhankelijk van het specifieke beroep dat de persoon in kwestie uitoefent. Artikel 458 van het Strafwetboek (SW) is niet alleen van toepassing op artsen, maar ook op elke persoon die uit hoofde van zijn staat of beroep kennis draagt van geheimen die hem zijn toevertrouwd.

Deze tekst herneemt rechtspraak die is uitgesproken in de context van gezondheidszorg. Om de beperkte draagwijdte van deze beslissingen te benadrukken, maken we daarom gebruik van de term ‘patiënt’ en niet van de meer algemene term ‘cliënt’ Een patiënt is een persoon die gezondheidszorgen ontvangt van een beroepsbeoefenaar opgenomen in de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. Hieronder vallen enkel klinisch psychologen.


Het gaat hier om een uitzondering die niet uitdrukkelijk bij wet is voorzien. Mag ik deze zomaar toepassen in de praktijk?

Hoewel deze uitzondering op het beroepsgeheim niet uitdrukkelijk is voorzien in een wettekst, is ze onbetwistbaar vanuit puur juridisch opzicht. Ze berust namelijk op de interpretatie van artikel 458 van het Strafwetboek door het Hof van Cassatie, de hoogste gerechtelijke instantie in België. Hieruit volgt dat u zich als psycholoog op deze uitzondering zou kunnen beroepen om misdrijven gepleegd op uw patiënt aan te geven bij de bevoegde instanties. Denk bijvoorbeeld aan de procureur des Konings of aan een onderzoeksrechter. Het is in principe ook mogelijk om feiten aan te geven bij een disciplinaire instantie, zoals dit gebeurde in het arrest van het Hof van Cassatie van 18 juni 2010.

Anderzijds werd het standpunt van het Hof van Cassatie al meermaals bekritiseerd, zowel door de Nationale Raad van de Orde der Artsen[4] als doorheen de rechtsleer[5]. Het beroepsgeheim staat immers in functie van de vertrouwensrelatie met de patiënt. Een patiënt die slachtoffer is, heeft daarop evenveel recht als een andere patiënt. Als slachtoffer zijn ‘op zich’ impliceert dat het beroepsgeheim zonder meer mag worden doorbroken, bestaat het risico dat sommige patiënten zich niet tot de hulpverlening zullen richten[6].

Omwille van deze kritieken raden we u aan om deze mogelijkheid met de grootste voorzichtigheid te gebruiken, en slechts in laatste instantie als u geen andere uitweg ziet. Als psycholoog is het immers belangrijk dat u een ruimte creëert waarbinnen u met uw cliënt in alle vrijheid en vertrouwen aan de slag kunt gaan.

Hieronder schetsen we  in dit kadereen aantal nuanceringen die de draagwijdte van deze aangiftemogelijkheid scherper stellen. Vervolgens geven we nog een aantal belangrijke aandachtspunten waarmee u best rekening houdt vooraleer u zich op deze uitzondering beroept om het beroepsgeheim te doorbreken.

Terug


Met welke aandachtspunten moet u rekening houden wanneer u deze uitzondering wil inroepen?

Wanneer uw patiënt het slachtoffer is van een misdrijf hebt u volgens deze uitzondering dus de mogelijkheid om de feiten aan te geven aan de gerechtelijke of disciplinaire autoriteiten. Vooraleer u zich erop  beroept, is het echter belangrijk om de volgende aandachtspunten in het achterhoofd te houden. Deze nuanceren het standpunt van het Hof van Cassatie:

  1. Het Hof van Cassatie stelt niet dat u verplicht bent om het misdrijf waarvan uw patiënt slachtoffer is aan te geven bij de gerechtelijke instanties.  Het gaat slechts om een mogelijkheid en niet om een verplichting.
  2. U kunt het misdrijf alleen melden aan de instanties die de pleger van het misdrijf tuchtrechtelijk (voor de Tuchtraad indien het om een psycholoog gaat) of strafrechtelijk (vb. de procureur des Konings) kunnen vervolgen. Dit volgt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie.
  3. U hebt volgens het Hof de instemming van de patiënt niet nodig om het misdrijf aan te geven. Dit sluit echter niet uit dat dat u, indien dit mogelijk is, met de patiënt kunt overleggen en slechts tot een melding overgaat indien deze hiermee instemt. Zo adviseert ook de Nationale Raad van de Orde der artsen om met de patiënt de actiemogelijkheden te bespreken zodat deze eventueel zelf de nodige stappen kan ondernemen[7]. In dit kader kunt u ook bekijken of u de patiënt kunt doorverwijzen naar meer gespecialiseerde personen of instanties die hem kunnen verder helpen, eerder dan tot een aangifte over te gaan.

Gezien de kritieken op het standpunt van het Hof van Cassatie, roept u deze uitzondering bovendien best alleen in indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  1. U hebt met de patiënt bekeken of hij zelf de bevoegde autoriteiten of andere gespecialiseerde diensten kan inlichten, indien nodig met uw ondersteuning. Hij is hier echter niet toe bereid.
  2. U hebt alle mogelijke alternatieven om hulp te bieden onderzocht. U ziet geen andere mogelijkheid.
  3. U acht het absoluut noodzakelijk en wenselijk om de feiten aan te geven bij de bevoegde autoriteiten. U hebt in deze afweging rekening gehouden met verschillende elementen, waaronder:
    a. de ernst van het misdrijf;
    b. het risico dat de dader nieuwe feiten zal plegen;
    c. de wensen van de patiënt: gaat hij wel of niet akkoord met de melding?
    d. uw inschatting van de kwetsbaarheid van de patiënt;
    e. de gevolgen van de bekendmaking op de vertrouwensrelatie;
    f. andere belangrijke factoren die meespelen in de specifieke situatie. Denk bijvoorbeeld aan eventuele loyaliteitsconflicten (wanneer de dader bijvoorbeeld een familielid is), de gevoelens van de patiënt (schaamte), …
  4. U hebt bekeken of u zich op geen andere uitzondering kunt beroepen om tot een melding over te gaan, zoals artikel 422bis SW, 458bis SW of de noodtoestand. Verwijzen naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie doet u best alleen in allerlaatste instantie, als u geen andere mogelijkheid hebt

Wanneer u besluit om tot een melding over te gaan, wijzen we er nog op dat u alleen informatie mag doorgeven die strikt noodzakelijk is (“need to know”, niet “nice to know”). Alle andere informatie valt nog steeds onder het beroepsgeheim.

Terug


Bijlage- rechtspraak in de kijker

Arrest van 18 juni 2010 van het Hof van Cassatie

Volgens het Hof van Cassatie zijn feiten waarvan de patiënt slachtoffer werd niet gedekt door het beroepsgeheim. Deze feiten mogen a priori worden bekend gemaakt aan een disciplinaire of gerechtelijke instantie. Het Hof van Cassatie rechtvaardigt deze uitzondering op het beroepsgeheim door te verwijzen naar één van de grondslagen van het beroepsgeheim, namelijk de bescherming van de vertrouwensrelatie tussen de patiënt en zijn zorgprofessional.

De feiten. Een studente in het tweede jaar van haar artsenopleiding volgt een observatiestage bij een arts om zo beter de arts-patiëntrelatie te kunnen inschatten tijdens een consultatie. De superviserend arts misbruikt echter zijn autoriteit en voert op de studente een klinisch onderzoek uit, waaronder een grondig gyneacologisch onderzoek. Hij doet dit vanuit een zogenaamde pedagogische overweging. De stagiaire rapporteert de feiten aan twee andere artsen. Deze laasten brengen de voorzitter van de provinicale raad van de Orde der Artsen van Brabant op de hoogte. Het bureau van de raad opent een onderzoek en disciplinaire maatregelen worden genomen tegen de arts. De stagiaire weigert echter om klacht neer te leggen bij de gerechtelijke instanties omdat ze niet aan ‘niet-artsen’ de gynaecologische onderzoeken wil beschrijven die ze heeft doorgemaakt. Ze had ook niet zelf besloten om de feiten aan te geven bij de Orde.

Beroep wordt aangetekend tegen de beslissing van de provinciale raad van Brabant.

De Franstalige Raad van beroep van de Orde der Artsen beslist dat de disciplinaire vervolging van de arts onontvankelijk was omdat deze gebaseerd was op elementen die verkregen waren via een schending van het beroepsgeheim (door de twee artsen die de voorzitter van de provinciale raad van Brabant hadden ingelicht).

Tegen de beslissing van de raad van beroep wordt een cassatieberoep aangetekend bij het Hof van Casssatie.

De beslissing van het Hof van Cassatie. Het Hof van Cassatie oordeelt dat “het beroepsgeheim de vertrouwensrelatie tussen de patiënt en zijn arts beschermt en zich niet uitstrekt tot feiten waarvan de patiënt slachtoffer werd”. Omwille van deze reden besluit het Hof dat de twee artsen die hun Provinciale Raad hebben ingelicht het beroepsgeheim niet hebben doorbroken. De beslissing van de raad van beroep wordt nietig verklaard en de zaak wordt opnieuw beoordeeld.

Terug


Referenties

[1] Nys, H. (2016). Geneeskunde. Recht en medisch handelen. Mechelen: Wolters Kluwer, p. 515-516.

[2] Hof van Cassatie, 30 oktober 1978 ; Hof van Cassatie, 9 februari 1988 ; Hof van Cassatie, 18 juni 2010.

[3] Nys, H. (2016). Geneeskunde. Recht en medisch handelen. Mechelen: Wolters Kluwer, p. 515.

[4] Advies van Nationale Raad van de Orde der Artsen (4 juli 2015). Eerbiediging van het medisch geheim wanneer de arts verneemt dat zijn patiënt het slachtoffer was van een misdrijf. Geraadpleegd van https://www.ordomedic.be/nl/adviezen/advies/eerbiediging-van-het-medisch-geheim-wanneer-de-arts-verneemt-dat-zijn-patint-het-slachtoffer-was-van-een-misdrijf.

[5] Hausman, J.-M. (2016). Secret professionnel et confidentialité. In Hausman, J.-M., & Schamps, G. (reds.). Aspects juridiques et déontologiques de l’activité de psychologue clinicien. Bruxelles: Bruylant, p. 223-224; Nouwynck, L. (2012). La position des différents intervenants psycho-médicaux-sociaux face au secret professionnel dans un contexte judiciaire – Cadre modifié, principe conforté. Revue de droit pénal et de criminologie, 2012 (6), p. 607-609; Royer, S., & Verbruggen, F. (2017). ‘Komt een terrorist met zijn advocaat bij de dokter…’ Mogen of moeten beroepsgeheimhouders spreken. Nullum Crimen, 12 (1), p.  31-32.

[6] Dejemeppe, B. (2013). Uittreksel uit « Parles  de médecins – paroles de juristes », 2013. Geraadpleegd via https://www.ordomedic.be/nl/adviezen/advies/medisch-geheim-en-justitie.

[7] Advies van Nationale Raad van de Orde der Artsen (4 juli 2015). Eerbiediging van het medisch geheim wanneer de arts verneemt dat zijn patiënt het slachtoffer was van een misdrijf. Geraadpleegd van https://www.ordomedic.be/nl/adviezen/advies/eerbiediging-van-het-medisch-geheim-wanneer-de-arts-verneemt-dat-zijn-patint-het-slachtoffer-was-van-een-misdrijf; Zie ook Nouwynck, L. (2012). La position des différents intervenants psycho-médicaux-sociaux face au secret professionnel dans un contexte judiciaire – Cadre modifié, principe conforté. Revue de droit pénal et de criminologie, 2012 (6), p. 608-609.


 
Deel deze pagina