Wijziging van de wettelijke definitie van de "uitoefening van de klinische psychologie"

De wijzigingen in de wet

Tot voor kort werd de "uitoefening van de klinische psychologie" door de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen gedefinieerd als het "gebruikelijk verrichten van autonome handelingen die tot doel hebben of worden voorgesteld tot doel te hebben (…) de preventie, het onderzoek, het opsporen of het stellen van een psychodiagnose van echt dan wel ingebeeld psychisch of psychosomatisch lijden en die persoon te behandelen of te begeleiden" (art. 68, § 3, al. 1).

Deze definitie werd recentelijk gewijzigd door een wet van 22 april 2019, die op 14 mei gepubliceerd werd en 10 dagen later in werking is getreden. Meer specifiek werd het woord “autonoom” weg gelaten. De uitoefening van de klinische psychologie houdt nu in bredere zin dus in het - al dan niet autonome - verrichten van handelingen die verband houden met het psychisch en het psychosomatisch lijden, met inbegrip van de zorg of ondersteuning van de betrokken patiënten.

De redenen voor de wijziging van de wet

Deze wijziging van de definitie volgt op de goedkeuring van een wetsvoorstel van Nathalie Muylle, Ine Somers en Damien Thiéry. Deze tekst is een copy-paste van een wetsontwerp dat aan het parlement is voorgelegd door de federale regering. 

Deze laatste gaf toe dat de term “autonoom”, die het van plan was te schrappen, bedoeld was om “de beroepstitel naar een hoger niveau te tillen - de klinisch psycholoog [....] oefent zijn beroep zelfstandig uit zonder toezicht of tussenkomst van een supervisor”. Tegelijkertijd stelt men dat het gebruik van de term “autonoom” in de definiëring van de uitoefening van de klinische psychologie tot gevolg heeft dat « het niet autonoom uitvoeren van handelingen in het kader van de klinische psychologie [....] niet gereguleerd is”.
De regering concludeert dat “iedereen” - “inclusief mensen zonder enige kwalificatie in de geestelijke gezondheidszorg” - “handelingen kan verrichten die als relevant worden beschouwd in de klinische psychologie, zolang ze dit op een niet-autonome manier doen, met andere woorden onder toezicht”.

Het is deze lezing van de wet die de federale regering ertoe brengt voor te stellen om de term “autonoom” te schrappen, zowel om de klinische psychologen te verdedigen, door “ongekwalificeerde concurrenten” uit te sluiten, als om patiënten te beschermen, door hen een kwaliteitsvolle geestelijke gezondheidszorg te garanderen. Terzelfdertijd stelt de federale regering dat het veranderen van de definitie van de uitoefening van klinisch psychologie niet betekent dat “klinische psychologen [....] hun beroep niet langer autonoom kunnen uitoefenen”.

Een gelijkaardig debat, een andere oplossing. De parlementaire werking rond de wet van 4 april 2014

De term “autonoom” was enkele jaren geleden al onderwerp van discussie in het parlement wanneer de klinische psychologie erkend werd door de wet van 4 april 2014 tot regeling van de beroepen in de geestelijke gezondheidszorg.

Volgens de toelichting bij deze wet was de definitie van de uitoefening van de klinische psychologie “het resultaat van een lang overleg tussen klinisch psychologen enerzijds en artsen anderzijds”  - de uitdaging was om van de klinische psychologie “een op zichzelf staand beroep in de gezondheidszorg” te maken, dat “niet kan worden gelijkgesteld aan een medisch noch paramedisch beroep”.

In de commissie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd de nadruk gelegd op het “autonome”  karakter van de handelingen die de klinische psychologie kenmerken. Muriel Gerkens benadrukte in dit geval “een aanpak die de grenzen tussen meerderheid en oppositie overstijgt” en vatte het werk van parlementariërs als volgt samen: “De behoefte aan erkenning van beroepen in de geestelijke gezondheidszorg beantwoordt aan de behoefte aan een holistische benadering van de gezondheidszorg. Alle interacties tussen een patiënt en zijn globale omgeving moeten geanalyseerd worden, met inbegrip van sociale en relationele aspecten. Een holistische benadering omvat […] ook de erkenning van de autonome uitoefening van beroepen in de gezondheidszorg, inclusief de geestelijke gezondheidszorg. Maar al te vaak is de erkenning mislukt omdat de medische beroepsgroep vreest dat een nieuwe zorgverlener autonoom kan ingrijpen, zonder dat er een arts of zelfs maar een referent aanwezig is.”

Met betrekking tot de definitie van “psychotherapie”, geformuleerd op vergelijkbare wijze als de klinische psychologie, heeft de minister van Volksgezondheid, Laurette Onkelinx, verduidelijkt dat     “autonome handelingen” niet alleen “handelingen zijn die onafhankelijk worden verricht“, maar ook “handelingen die niet door een andere zorgverlener worden voorgeschreven”.

Waarom neemt de Commissie geen standpunt in rond dit onderwerp?

De Psychologencommissie was niet betrokken bij het opstellen van deze wet. Zij zal hierover dan ook enkel algemene en objectieve informatie verspreiden via de website.

Hieronder vindt u de redenen waarom de Psychologencommissie geen rol speelt in deze wettelijke aanpassing:

  • Als publieke instantie heeft zij een missie van openbare orde, dus die het algemeen belang dient: de bescherming van de cliënten van psychologen. Haar doelgroep bestaat hierdoor zowel uit de cliënten van psychologen als uit de psychologen zelf.
  • De bij wet bepaalde bevoegdheid van de Psychologencommissie bestaat uit de bescherming van de titel van psycholoog en toezicht op het naleven van de deontologische code. Zij kan enkel maar over deze domeinen formeel advies verstrekken aan de ministers.

Wat zijn de punten van kritiek op deze wettelijke aanpassing?

Wij vinden het belangrijk om de beroepsverenigingen die de Plenaire Zitting vormen, de mogelijkheid te bieden hun opinie te geven over dit nieuwe besluit en voorzien dan ook een ruimte op de website waar hun meningen worden geïntegreerd. Dit kan u in de loop der volgende dagen hier terugvinden.


 
Deel deze pagina